Verhandeling aangaande participatie: participatie is meedoen
Niels de Groot
Ergens op het internet, op Haarlem.nl om precies te zijn, stelt men zichzelf de vraag:
‘wat is participatie?’
Het antwoord:
Participatie is vroegtijdige samenwerking van belanghebbenden bij het maken van plannen of uitwerken van ideeën of initiatieven (beleidsvoorbereidingsfase). Iedereen kan het initiatief tot participatie nemen. In de praktijk zal participatie op initiatief van het gemeentebestuur plaatsvinden.
-
Participatie is meedoen
Laten wij deze vraag ook eens onder de loep nemen. Participatie = meedoen. Dat klinkt lullig en dat is het eigenlijk ook. De alomtegenwoordige oproep van de overheid tot meer participatie (=meedoen) is een oproep tot meer betrokkenheid, tot het dichten van de zogenaamde kloof tussen de ‘burger’ en de overheid. Men heeft de zogenaamde wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in het leven geroepen om de burger te stimuleren, om haar tot participatie (=meedoen) aan te zetten: zij hoopt een actief burgerschap in het leven te roepen. De kernwoorden hierbij zijn: zelfredzaamheid, zelfzorgzaamheid en de zorg voor de ander. Het actieve burgerschap lijkt er dus vanuit te gaan dat de burger haar zelfredzaamheid en zorgzaamheid door middel van participatie (=meedoen) op de kaart kan en moet zetten. Twee dingen zijn inzake de aansporing van de WMO tot participatie (=meedoen) van belang: ten eerste in het opvallend, frappant zelfs, dat men een wet in het leven roept om de burger te laten meedoen, alsof deze geïnstitutionaliseerde vorm van activering een wenselijke participatie (=meedoen) zal opleveren. Ten tweede dienen wij ons af te vragen wat er achter de oproep tot participatie (=meedoen) in de vorm van de WMO eigenlijk schuilgaat en op welke wijze participatie (=meedoen) door de WMO begrepen wordt. De oproep tot participatie (=meedoen) door middel van de WMO gaat er schijnbaar vanuit dat de burger niet participeert, niet meedoet, zij roept immers op tot meer participatie (=meedoen) waarvan er blijkbaar te weinig lijkt te bestaan. Een tekort aan participatie is dus een probleem, een probleem dat blijkbaar bij de burger ligt en door de overheid, onder andere in de vorm van het ontwikkelen van iets als de WMO, opgelost dient te worden door middel van de zoektocht naar het ontwikkelen van een meer actieve burger.
Probleem omtrent participatie
Het lijkt erop dat de burger volgens de overheid te weinig participeert (= niet meedoen), niet actief genoeg, niet betrokken genoeg is en als wij het ‘concept – essay’ aangaande participatie van Arcon mogen geloven leidt een tekort aan maatschappelijke participatie (=meedoen), onderscheiden van andere vormen van participatie zoals burgerlijke participatie (= ook meedoen), tot een sociaal isolement. Participatie (=meedoen) is, in ieder geval volgens Arcon (een beleidshulporganisatie), een complex concept dat uiteenvalt in verschillende wijzen van participatie. Los van deze onderscheidingen (burgerlijke participatie, culturele participatie, maatschappelijke participatie, arbeidsparticipatie, sociale participatie, enzovoorts.) is een tekort aan welke vorm van participatie dan ook onwenselijk, zij kan immers leiden tot een isolement die op haar beurt eenzaamheid, psychische ziekten en vervuiling in de hand kan werken. De WMO wil participatie (=meedoen) bevorderen omdat men pas een volwaardig lid van de samenleving kan zijn op het moment dat men zijn of haar steentje aan de samenleving bijdraagt. In het geval van de sociale participatie gaat het erom dat ‘sociaal’ zijn betekent dat men zich voegt naar de bestaande groepsnormen en rolverwachtingen. Toch gaat ook Arcon er in algemene termen vanuit dat participatie meedoen betekent ongeacht wat men doet, met welk doel of op welk terrein. Inzake ‘sociale’ participatie (=meedoen) gaat men ervan uit dat de burger actief dient mee te doen, ‘sociaal’ dient te zijn in die zin dat men zich bewust is van en handelt naar de bestaande normen en groepsregels. De actieve burger moet dus meedoen, maar de participatie (=meedoen) dient zich wel aan de bestaande normen te houden, op het moment namelijk dat burger niet meedoet of ‘asociaal’ (mee)doet isoleert hij/zij zich/haarzelf van het ‘sociale’ gebeuren.
Participeren, maar hoe?
De ‘burger’ moet weer meedoen, wij dienen onszelf als actieve burgers op te stellen om onze verantwoordelijkheid te omarmen en ons steentje bij te dragen aan de samenleving. Wij kunnen namelijk pas een volwaardig lid van de samenleving zijn op het moment dat wij op een ‘sociale’ manier meedoen. De overheid is op haar beurt zo aardig om ons door middel van de WMO, subsidies, vrijwilligerswerk en andere sociale (buurt)instanties aan te sporen en handvatten te geven om te participeren (=meedoen) en wederom een actief burger te worden. Participeren (=meedoen) is namelijk niet alleen noodzakelijk maar ook leuk. Is het immers niet fijn een volwaardig lid van de samenleving te zijn? Is het niet belangrijk om één dag in de week vrijwillig bij een buurtcentrum bijscholing te geven aan mensen die slecht kunnen leren? Het gaat erom dat wij allen de handen ineen slaan en samen werken aan een leefbare omgeving, dat wij met zijn allen de verantwoordelijkheid nemen om er iets van te maken, iets dat wij met zijn allen kunnen delen en misschien nog het belangrijkste: iets waar we allemaal trots op kunnen zijn, omdat wij er met zijn allen aan hebben gewerkt.
De overheid en de participerende burger
De roep om participatie (=meedoen) en actief burgerschap heeft naast het benadrukken van de verantwoordelijkheid van de ‘burger’ zijn of haar steentje bij te dragen en een volwaardig lid van de samenleving te zijn of worden tot doel de ‘burgerlijke’ klacht aangaande het bestaan van een koof tussen overheid en burger te dichten of met andere woorden: de kop in te drukken. De ‘burger’ lijkt heden ten dage de kloof tussen de ‘burger’ en de overheid als groter dan ooit te ervaren en het is de overheid die door middel van de participatiegedachte de bal van ontevredenheid van de ‘burger’ naar de ‘burger’ terugkaatst. De overheid lijkt aan te geven dat men wel kan klagen over de afwezigheid van een luisterend oor van de overheid ten opzichte van de ‘burger’, maar dat het (ook) aan de ‘burger’ zelf is om het luisterende oor als het ware te verdienen. Men kan wel klagen, maar men moet wel participeren (=meedoen) voordat men kan klagen. Het harde werken is niet alleen aan de overheid: de volwaardige burger is de burger die het waard is naar geluisterd te worden omdat hij of zij zichzelf als een actief en ‘sociaal burger’ profileert. Niet participeren (=niet meedoen) betekent dat je niet betrokken bent bij de samenleving en dat je buiten de boot valt.
Het is deze zogenaamde ‘schulddiscussie’ die wij veelvuldig langs zien komen door middel van wijzende vingers en allerlei beschuldigingen: de ‘burger’ stelt dat de overheid zijn werk niet goed (genoeg) doet en niet adequaat luistert en andersom klaagt de overheid over een te weinig aan participatie (=meedoen) van de ’burger’. Het is helemaal niet gek dat iemand als Rita Verdonk het in het licht van deze schulddiscussie zo goed doet in de hedendaagse politiek aangezien zij continu benadrukt dat zij er voor ‘burger’ is en dat zij zal luisteren en handelen naar de wensen van de ‘burger’. Rita heeft de kant van de burger gekozen en het is ijzeren Rita die door middel van onmiddellijke representatie de ‘burger’ of een bepaalde groep ‘burgers’ tevreden wil stellen. Het is opvallend dat ook Rita zich veelvuldig bedient van het woord participatie (=meedoen) en dan voornamelijk in relatie tot de ontevredenheid van de hardwerkende (Nederlandse) ‘burger’. Waar de ontevredenheid van de burger zich tegen het zogenaamde onvermogen van de overheid de wensen van de burger in te willigen, richt de ontevredenheid zich bovendien naar de ‘asociale burger’, naar de burger die niet participeert (=niet meedoet). De hardwerkende burger, de arbeidsparticiperende ‘burgers’, zijn klaar met al die burgers die maar weigeren mee te doen. Het is in dit geval bovendien zeer gemakkelijk te wijzen op de zogenaamde onaangepastheid van verscheidene groepen immigranten. Rita Verdonk slaat in het licht van de ‘schulddiscussie’ en het participatiejargon een grote slag: zij weet enerzijds de overheid als laks en weinig slagvaardig neer te zetten en daarmee vele burgers op haar hand te krijgen. Bovendien weet zij het participatiejargon, doorgaans door de overheid gebezigd, aan te wenden om verschillende ‘sociale’ groepen als ‘asociale’ en niet participerende (= niet meedoende) groepen weg te zetten.
Participatie en het klagen
Waar het tegenwoordig vaak de overheid is die het participatiejargon bezigt om de burger aan te sporen, om haar te activeren en haar tot een volwaardig burger om te vormen, speelt het participatiejargon sinds jaar en dag ook een zeer bepalende en sterke rol in de ‘burgerlijke’ samenleving: tussen buren, collega’s, vrijwilligersinstanties, enzovoorts. Het participeren (=meedoen) is een zeer sterke en krachtige manier om mensen te wijzen op bestaande ‘sociale’ normen en groepsregels, om mensen kortweg te wijzen op hun onaangepastheid. Op het moment dat er tussen allerlei ‘burgers’ onderling onvrede bestaat gaat het vaak over ‘asociaal’ gedrag, onaangepastheid, laksheid, onwil en dergelijke. Waar het doorgaans nogal lastig is het eens te worden over ‘aanpassing’ inzake bijvoorbeeld ideologie en religie is het vervolgens wel gerechtvaardigd om de ‘onaangepaste’ mens op grond van een tekort aan participatie (=meedoen) aan te spreken: iedereen dient immers mee te doen en als volwaardig burger zijn steentje bij te dragen. Het is doorgaans in de Westerse wereld dat men participatie (=meedoen) in termen van werk begrijpt: bijdragen is hard werken, belasting betalen, deel van de hardwerkende samenleving uitmaken. Toch is participatie (=meedoen) steeds meer los van de arbeidersmoraal komen te staan. Heden ten dage mogen wij blijkbaar vanuit het participatiejargon mensen ook op grond van religie en ideologie als onaangepast opzij zetten: zij doen immers niet mee aan de wijze waarop wij participatie (=meedoen) doorgaans lijken te begrijpen. Zelfs het dragen van een hoofddoekje kan mogelijkerwijs duiden op een tekort aan aangepastheid. Het lijkt erop dat participatie niet langer duidt op het meedoen op wat voor manier, met welk doel en op welk terrein dan ook. Participatie is meedoen op een bepaalde Westerse, ‘sociale’, normatieve manier. Participatie (=meedoen) is steeds meer disciplinerende functies gaan vervullen en steeds meer in termen van aanpassing begrepen.
Participatie als uitsluiting
Uitsluiting is van alle dagen: wie hoort erbij en wie niet, wie is aangepast, wie onaangepast, wie werkt, wie niet? Participatie is in die zin slechts een nieuw vehikel om insluiting en daarmee uitsluiting mogelijk te maken, zij lijkt een nieuwe uitdrukkingsvorm van het krachtige discours der onderscheidingen dat volgens de zwart-witte tegenstelling van positief versus negatief werkt. Participatie is meedoen, participeren betekent aangepast zijn, participeren betekent dat men een volwaardig onderdeel van de samenleving uitmaakt. Niet participeren betekent dus dat men niet meedoet, dat men onaangepast is, dat men ‘asociaal’ is, dat men geen volwaardig onderdeel van de samenleving is. Het zegt genoeg op het moment dat wij participeren (=meedoen) in negatieve termen vatten: niet participeren is niet meedoen. ‘Gelukzoekende’ immigranten komen niet om te participeren, zij komen om te profiteren, doen niet mee en worden dus uitgesloten. Krakers willen slechts gratis wonen, ook profiteren en ook nog eens niet werken en worden dus uitgesloten. Hoewel, we kunnen het beter als volgt stellen: ‘zij’ willen niet meedoen, ‘zij’ passen zich niet aan en sluiten daarmee zichzelf uit. Want onze overheid en gedienstige burgers sluiten niemand uit, iedereen mag immers participeren (=meedoen), het zijn de onaangepaste, luie profiteurs die zichzelf uitsluiten.















